De zevenslaper en de ster
In december 2012 werd Seamus bezocht door de Kerstmuis.

Na een fijn slokje whiskey vertelde hij Seamus een prachtig kerstverhaal:
De Zevenslaper en de Ster
‘In zijn overwinteringshol, diep in de grond, op de Grote Hongaarse Laagvlakte, lag de Zevenslaper te woelen en te draaien in zijn kleine bedje. Ja, klein, want dit Zevenslapertje was klein en grijs, en behoorlijk oud ook. Zoals elk jaar had hij zijn boomnest in de boomgaard van Farm Lator verruild voor zijn winterhol. Normaliter sliep hij daar de hele winter tot het aanbreken van de lente. Maar ditmaal was het anders. Misschien kwam het omdat hij het Zwarte Paard had ontmoet, op een mooie zomerse dag. Zij was jong en stoutmoedig en na een moeilijke start (waarover ik een andere keer zal vertellen), zij was namelijk nogal groot en overweldigend voor zo’n klein muisje, na een moeilijke start waren ze vrienden geworden en hadden ze het hele seizoen over de poesta gezworven. Maar alleen in de ochtend- en de avondschemering, want Zevenslapers of Relmuizen zijn nachtdieren en Zwarte Paarden gaan meestal slapen als het donker is. Zo hadden ze een soort evenwicht gevonden en ze hadden samen een hoop plezier gehad...
Toen de winter kwam, was de Zevenslaper zoals gebruikelijk naar zijn overwinteringshol gegaan. Maar hij sliep niet zo vast als vroeger. Hij was rusteloos en zelfs had hij een piepklein kerstboompje opgezet in het hol, hoewel hij wel wist dat hij meestentijds zou, of beter: zou moeten slapen. Zo nu en dan opende hij een oogje en keek piekerend naar zijn boom. Want er was iets mis mee... Hij wist dat hij iets vergeten was. Maar wat? Er hingen prachtige gekleurde ballen in, glanzende kristallen vogels en vlinders, zilveren en gouden slingers en zelfs heel kleine kaarsjes had hij erin gezet. Maar toch... er miste nog iets...
Dus daar lag hij dan, woelend en draaiend, nacht na nacht totdat het Kerstavond was... En plotseling wist hij het weer: de Ster! Hij had altijd een ster in de top van zijn boompje gehad! Waar was die gebleven? In jaren had hij hem niet gezien... Als een gek ventje zocht hij het hele hol af, tot alles uitgeruimd was en ondersteboven lag: de kasten waarin hij zijn wintervoorraden bewaarde, de oude kist met zijn pyjama’s en nachtmutsen en zelfs keek hij in de geheime bergplaats onder de vloer, waar hij een mooie voorraad single malt whisky bewaarde... Maar nergens, nergens was zijn oude ster te vinden...
Dus zat er voor de Zevenslaper niets anders op dan helemaal naar boven te klimmen om een nieuwe te halen. En zo gezegd, zo gedaan. Het duurde wel een tijdje tot hij boven was, want de ingang van het hol was geblokkeerd door een dikke laag versgevallen sneeuw waardoorheen hij zich moeizaam een weg naar buiten moest graven... Maar uiteindelijk stond hij dan voor de eerste keer in zijn leven rond middernacht midden in de winter op de Grote Laagvlakte. Zijn kleine roze teentjes vroren er zowat af, maar oh, wat was het mooi! De sneeuw glinsterde in het maanlicht, de sterren stonden hoog aan de zwartfluwelen hemel. Waarom ging hij eigenlijk altijd slapen in de winter? vroeg de Zevenslaper zich af. Maar toen hij over de witte deken met zijn vreemde blauwe schaduwen begon te trippelen, begon hij te rillen en besefte al gauw dat een Zevenslaper toch niet echt toegerust was voor de wintertijd...
Maar ondanks de kou was hij vastbesloten een nieuwe ster te vinden en omhoog ging hij. Ja, omhoog! Op naar het Bükkgebergte. Iedereen wist tenslotte dat sterren alleen op de toppen van sparren te vinden zijn. En sparren groeiden er niet op de poesta... Ferm stapte hij urenlang door de diepe sneeuw en kwam in het bos aan de voet van de bergen. Donkerder en donkerder werd het, en al spoedig was hij helemaal zijn gevoel voor richting verloren. Maar toen... wat had je me daar! Toen zag hij een klein straaltje licht in het dichtst van het woud. En ja hoor! Daar was een prachtige, grote kristallen ster, precies op de top van een hoge spar, glinsterend in het maanlicht. Dolgelukkig sprong hij de boom in. En omdat Zevenslapers uitstekende klimmers zijn, was hij al snel boven en ging op een klein takje zitten, vlak naast de ster.
Gefascineerd keek hij in het glinsterende, gefacetteerde oppervlak. Wat was dat toch prachtig! En tot zijn verbazing zag hij zijn eigen gezichtje duizend keer weerspiegeld in de duizelingwekkend ingewikkelde kristallen structuren. En kleuren, zoveel prachtige, heldere kleuren. En sterren, en alle boomtoppen van het hele bos, en alle sterren in de hemel, en het maanlicht, en alles wat een kleine Zevenslaper maar kon bedenken! Als in trance droomde hij langzaam weg en viel moe en gelukkig in slaap, terwijl hij de ster in zijn kleine klauwtjes klemde.’
Kerstmuis stopte...
‘En toen, Kerstmuis? Wat gebeurde er toen?’ vroeg Seamus ongeduldig.
‘Toen, beste jongen, kon deze muis nog wel een klein slokje whisky gebruiken...’ zei Kerstmuis, grinnikend in zijn baardje. Seamus schonk nog eens een flinke borrel voor hem in en zijn lippen aflikkend vertelde Kerstmuis verder...
‘En toen viel de Zevenslaper naar beneden natuurlijk!. Terwijl hij de ster stevig vast hield raasde hij door de met dikke lagen sneeuw bedekte takken en landde boven op... het Zwarte Paard!’
‘Hè? Wat deed dat Zwarte Paard daar dan, Kerstmuis?’
‘Nou, het Zwarte Paard houdt enorm van wandelen in de sneeuw. Speciaal in het midden van de nacht, als alles heel stil en donker is. Als de sneeuw nog vers is en knispert en de sneeuwkristallen zo lekker onder haar hoeven kraken. Dus ook in de Kerstnacht zwierf ze over de Grote Laagvlakte. En daar zag ze de piepkleine sporen van de Zevenslaper in de sneeuw en volgde ze, tot hoog in de bergen.
‘Ha Zevenslaper’, riep ze blij, terwijl hij van haar rug af stuiterde en op z’n kop in de sneeuw belandde. ‘Wat ben je aan het doen?’
De Zevenslaper krabbelde zo waardig mogelijk overeind en het Zwarte Paard blies met haar grote zwarte neus de sneeuw van zijn vachtje.
‘Ik zocht een ster voor boven op mijn kerstboom’, legde de Zevenslaper uit.
‘En, heb je er een gevonden?’, vroeg het Zwarte Paard, terwijl ze met haar dampende adem de bibberende muis verwarmde.
‘Jazeker, maar ik geloof dat hij uiteengespat is toen ik uit de boom viel.’
‘Oh, wat jammer voor je, Zevenslaper. Laten we naar huis gaan. Het is hier buiten veel te koud voor jou. Ik weet zeker dat je wel een andere ster zult vinden’, zei het Zwarte Paard en ze begon enthousiast rondjes te rennen rond de muis, zoals ze altijd deed wanneer ze hem zag.
Maar de Zevenslaper keek naar haar in opperste verbazing. De vacht van het Zwarte Paard was bezaaid met honderden piepkleine sterretjes. De scherven van de grote ster waren kennelijk allemaal op haar terecht gekomen...
‘Hé Zwart Paard, wat ben je mooi!’, gilde hij, proberend boven het donderend geraas van haar hoeven uit te komen.
‘Hé Zwart Paard!’, piepte de Zevenslaper nog eens, ‘je bent helemaal bedekt met sterren! Je ziet eruit als... als een wandelende nachthemel!’
Het Zwarte Paard hield abrupt halt.
‘Ik wist niet dat er zo’n dichter in jou schuilde,’ zei ze blozend (hoewel dit wat moeilijk te zien was: ze is nu eenmaal zwart...) en ze draaide haar hoofd om zichzelf te bekijken.
‘Ik kan het niet zien hoor’, zei ze teleurgesteld. ‘Laten we naar de vijver van Farm Lator gaan. Misschien kan ik me daarin bekijken.’
Ze knielde neer in de sneeuw en de Zevenslaper klom in haar manen en op haar brede, zwarte rug, zoals altijd.

En daar gingen ze: door het bos en de diepe sneeuw, over de Grote Vlakte, naar de vallei van Farm Lator. Wat een mooi gezicht was dat: de zwarte vacht van het Zwarte Paard bedekt met glinsterende kristallen sterretjes en de kleine grijze Zevenslaper op haar rug, met op zijn hoofd nog een glanzend wit hoedje van sneeuw...
Bij de vijver aangekomen schraapte het Zwarte Paard de sneeuw van het ijs met haar hoeven en bekeek zichzelf in verwondering.
‘Wow!’, fluisterde ze,‘wat een prachtige kerstjurk! Dank je wel, Zevenslaper!’
‘Graag gedaan’, zei de Zevenslaper. Onderwijl keek hij in de donkere glanzende spiegel van ijs en dacht: ‘Mmm, het is toch wel een verdraaid aantrekkelijk paardje...’
‘Laten we naar de stal gaan. Daar kun je jezelf lekker warmen in het verse droge hooi in mijn kribbe,’ opperde het Zwarte Paard en ze liet de Zevenslaper weer op haar rug klimmen.
‘Als je belooft me niet per ongeluk op te eten, ga ik graag met je mee’, antwoordde de Zevenslaper.
‘Ik beloof je dat ik voorzichtig zal zijn.’
En zo gingen ze naar de stal.
Terwijl het Zwarte Paard daar stond te eten, sprankelend als de Melkweg in het zachte licht van de stallantaarn, kroop de Zevenslaper in een hoekje van de kribbe. Daar was het warm en gezellig en hij vond er zelfs nog een restje haver... En zo hadden ze het mooiste kerstdiner, dat ze ooit hadden gehad.’
‘Bedankt voor dit prachtige verhaal, Kerstmuis,’ zei Seamus met een diepe zucht. ‘Wil je nog een borreltje?’
‘Ja hoor, mijn jongen. Eentje dan, voor onderweg. Want ik moet zo elders verhalen vertellen. Maar ik beloof je: volgend jaar kom ik terug!’




